Een dag op het Singelhofje

Door Guus

Ik heet Guus. Ik ben de belangrijkste bewoner van het Singelhofje. Het café is naar mij vernoemd. Dat zegt genoeg.

De dag begint. Ik zit al op mijn steen bij de lindeboom en kijk toe. Dat is mijn werk. Toezicht houden. Moos zit naast me, zoals altijd, en zegt niets. Dat is ook haar werk. We hebben een goede taakverdeling.

De kaaswinkel gaat open. Johan en Jolanda, pand vijf, altijd als eersten. Even later komen Jasper en Jolien naar buiten – schooltassen, fietsen, Jasper’s jas die al scheef hangt voor hij het zadel heeft gevonden. Jolanda zwaait. Johan roept iets over een boterham die niemand hoort. Moos en ik kijken mee. Ik ga ook staan en strek mijn staart. Ik vind het beleefd om afscheid te nemen van mensen die mij regelmatig een blokje kaas geven.

Naar binnen mag ik niet. Dat vind ik onzin, maar Johan houdt vol. Jolanda kijkt soms schuldig. Ik maak daar gebruik van. Geen vrouw kan mij weerstaan.

Bij de patisserie van Lotte is het niet anders. Niet naar binnen. Eerlijk gezegd interesseert de rest van haar inventaris me weinig – de room en de boter, dat zijn de enige dingen die de moeite waard zijn. Maar dat weet ze nog niet. Ze leert nog.

De ochtend vult het hofje op zijn eigen rustige manier. Een bestelbus wipt voorzichtig door de poort. De postbode parkeert zijn fiets tegen de waterput met de blik van iemand die dit al dertig jaar doet en er geen seconde minder zeker van is geworden.

In de lindeboom boven mijn hoofd maken duiven ruzie. Ik kijk er niet naar op. Duiven zijn oninteressant en ze weten het zelf ook. Dan landt er een op de rand van mijn steen en kijkt me recht aan met die lege, oranje ogen. Ik kom een fractie omhoog. De duif wijkt niet. En dan – ik wil er niet over uitweiden – doet hij iets op mijn steen wat hij beter had kunnen laten. Ik ga achter hem aan tot aan de boom. Hij vliegt op. Uiteraard. Ik had hem toch niet kunnen pakken. Dat was ook nooit het plan. 

Bij de singel dobberen drie eenden. Ik blijf even staan. Er is iets aan eenden. Ze zijn groter dan duiven maar dommer van gezicht, en toch bewegen ze met een zekere… kalmte. Alsof ze precies weten waar ze heen gaan, terwijl dat overduidelijk nergens is. Fascinerend. Ik loop langzaam naar de kant. De eenden kijken op. Ik kijk terug. Dan doe ik een stap naar voren – snel, beslist – en het is een explosie van gekwaak en gespetter en oranje poten en vleugelslag voor ze eindelijk het water in duiken en verontwaardigd weg peddelen.

Uitstekend. 1-0. 

Na al dat harde werk is een beloning op zijn plaats. Ik loop naar het terras van De Rode Kater. Mira ziet me door het raam. Ze zwaait. Dan gaat de deur op een kier en schuift er een schaaltje naar buiten. Ik neem er rustig de tijd voor. Het is belangrijk om niet te gretig te lijken. Waardigheid, dat is het woord. En als ik geluk heb, laat Moos nog wat liggen. Dubbele score. 

Daarna installeer ik mezelf op het bankje bij de boom voor het middag toezicht. Ik poets mijn voorpoot, poets mijn oor, en houd de boel bij. En jawel – daar gaat Daan alwéér naar de bakkerij. De derde keer vandaag. Ik heb geteld. Hij doet alsof hij iets vergeten is. Dat gelooft hij zelf misschien ook nog.

Bah, het weer slaat om. Grijze lucht, een flinke miezerbui, natte klinkers. De duiven zwijgen wel eindelijk. De eenden vinden het fantastisch. Idioten.

Moos kijkt me aan.

We zijn het eens.

We draven samen over de klinkers, langs de waterput, dwars over het grasveld – en dan, droog en warm, de kas van Femke in. Ze kijkt op van haar planten, zegt niets overbodigs, wijst naar de fauteuil in de hoek. Die fauteuil staat er voor ons. Dat weten we alle drie, al heeft Femke hem ooit voor zichzelf gekocht.

Ik spring erop. Moos nestelt zich ernaast. De regen tikt tegen het glas. Ik poets haar vacht en zij de mijne. Dan kruipen we tegen elkaar. 

Buiten gaat het hofje door. Stemmen, voetstappen, de geur van natte steen en ergens, vaag, vers gebak. En achter een verlicht raam gaat Daan vast nog een keer terug naar de bakkerij.

Ik sluit mijn ogen.

Morgen houd ik hem beter in de gaten.

Terug naar Guus ' Lezershoek